VERHAAL BEELD ANEKDOTE SCHRIFT ILLUSTRATIE GELIJKHEID KUS BEELDKUNST ONTMOETING ONRUST NIEUWSGIERIG SCHRIJVEN BETEKENIS KADER STRIJD ONWEER TOEKOMST LIJN DETAIL INKT LICHTEND DEVOTIE DE VERDACHTE LANDSCHAP KRAAKHELDER COLLECTIEF VERANDERING 3x 50 WOORDEN VOORLIEGEN DOELMATIG KWAAD VRIENDSCHAP PETER-JAN VERMEIJ KAMERAADSCHAP VERLEIDING ONSCHULD ONDERWERP GRAUW FATSOEN GELUK KARAKTER HET TIJDELIJK OPHEFFEN VAN ONGELOOF GAAF INZICHT VREEMDGAAN GEMIXED GROOTHEIDSWAANZIN VROUW CONTRAST UITPUTTING VERBINTENIS VELDWEG GRAUW PANORAMA STERRENWACHT MENS DESTRUCTIE CONTRAST KARAKTER OOG BEEST GRIJSGEDRAAID DIEVEN OOG BEEST GRIJSGEDRAAID KEUKENTAFEL ROUTINE KAAK VRAAG SEKSUALITEIT UIT HET LEVEN GEGREPEN COMPUTER STOFWEG BRABANDER LEEFTIJDSGRENS GRONDWATER PORTRET LIEFHEBBERIJ PLAAT SLINGER HELING WENKBRAUW BLAUWBOEK KLAPPERTANDEN VLIEGTUIG ONTZETTING FOTO WEDSTRIJD VERTAAL COMMENTAAR NAAR DE SITE VAN 6575 TEKSTBUREAU SCHETS VISIE PERSOONLIJK AFWEZIGHEID GEVOEL KRITIEK ONDERZOEK SCHRIJVER MENS PORTRET ONDERSCHRIFT TOEVOEGING FILOSOFIE KERN FOTOGRAAF METAFOOR KORTE VERHALEN A VIDA VITA BEELD CULTUUR INZICHT VERVANGING INHOUDSOPGAVE STROOPWAFELS VREEMDGAAN DETAIL GROSSERIE AANHANGSEL GEBABBEL MEESTERZET VORMBEHOUD EXTREEM FIJNZINNIG POIINK ADEM WAFFEL HAARIMPLANTAAT VOGELVRIJ GAARNE ROUTINE DESTRUCTIE UITPUTTING VERBINTENIS VELDWEG OOG KARAKTER GESTRAND KEUKENTAFEL ROUTINE BOS VOLK GOEDGELOVIG LACH KRACHT VERLOOCHEN TIJD VOORWERP PAARDENVLEES KATHOLIEKE MEISJES WAARACHTIG GAAF TERUGVERDIENEN KRANIG ONTZET PROPJE VRAAGBAAK ILLUSTATIEF FATA MORGANA KLAARGESTOOMD GEZONDHEID VERBOLGEN DRIL LEGGING GEVRIJWAARD VRIENDSCHAPPELIJK JURIDISCH FLIKFLAK PINGPONG IK BEN OPA TELEVISIE SERIE MOORD DOODSLAG DOORDACHT DUMBSTRUCK GESIGNALEERD CHOCOLADE NOOTJES CD PLATENCONTRACT GEDACHTENGOED OPTIMISME POLITIEK ANDERSDENKEND LEVENSBOOM TAFELPOOT THEATERDOEK TRIBUNE GEREDIGEERD PRAATZIEK GEBABBEL CONTROLE ASSISTENT MAATSCHAPPIJLEER ONDANKBAARHEID PRUT DROOM COLLECTIEF MELKWEG BEELDSCHERM FETISCH BRILLEMANS ENGEL OOGKLEPPEN DRAF VIEZERIK BLIJHEID ORGAANDONOR DEURPOST BOEKENLEGGER STRATENPLAN WITTE BOORDEN CRIMINALITEIT FLATSCREEN SPELGENOT KLEINZERIG ANTIEKSHOP DOODGEBOREN KANT-EN-KLAAR AFREKENING ZESTIG VREEMDELING GORDIJN MOZARELLA OOGOPSLAG SNEEUW KORTWIEKEN VALS RONDRIJDEN RIOLERING VASTBERADENHEID GENEREREN TANDSTEEN KLOOTHOMMEL MOFFEN REFLECTIE BORSTEN SPIEGEL LEESLUST BOEKENWEEK HANDGEMEEN IEDEREEN ONGELOOF KRANKZINNIG MIJTER WERELDNIEUWS PRUIK AANSTELLER DROOM VRESELIJK SCHUCHTER EN / OF UFO YPSILON MAAKBAARHEID NIETTEGENSTAAND BRANDBAAR VROOM CHRYSANT XYLOFOON ZEESTER LANGZAAM KROM JA! HOOFDPIJN GEGRAVEN FIJNBESNAARD DREK STAF AANHANGSEL PRIKKLOK OORVERDOVEND INTIEM UITZINNIG TREFFEND CONTRAST CONSTRUCT RADIOGOLF DAADKRACHT EETBAAR WENS VRIJGEVIG DENK!
dragdrop
close close close

"Optimisme is de opium van het volk"

Ludvik Jahn in De Grap, Milan Kundera, 1967

In de schaars verlichte ruimte ontwaarde hij ligbanken tegen donkere muren. De geur van opium drong zich op. Verschillende mensen, mannen, lagen op de banken met aan hun mond een opiumpijp. Sliertjes rook kringelden door de ruimte naar het plafond. De serveerster uit het restaurant droeg hem over aan een ander meisje, dat hem voorging naar een van de canapÈs. Geen slecht uitgerust huis, dacht hij. Pal daarop hoorde hij achter zich de stem van de Fransman. Hij durfde zich niet om te draaien, onzeker of het donker genoeg was om zijn gezicht aan het zicht te onttrekken. Met een zachte druk op zijn onderarm geleidde het meisje hem naar de bank. Hij ging op zijn zij liggen, schoof zijn arm onder zijn hoofd en keek naar de figuren bij het gordijn. Zolang hij hier lag zouden ze hem niet zo snel opmerken. Er was een man bij de Fransman en de Hollander verschenen en er werd fluisterend een druk gesprek gevoerd, zo te horen in het Frans. Hij luisterde intens, in de hoop iets op te kunnen vangen. Hij merkte maar vagelijk op dat het meisje bij zijn voeten op haar knieÎn was gaan zitten. Het gesprek ging voor de Fransman blijkbaar een geruststellende kant op. Hij zag hoe diens silhouet zich enigszins ontspande. De Fransman richtte zich op, weg van het gehoor van de veel kleinere derde man. Met een vorsende blik nam hij de ruimte in zich op terwijl hij de geur van de opium die gerookt werd diep leek op te snuiven. Zijn ogen schoven bedachtzaam van bank naar bank. Ineens werd inspecteur De Fouw, wiens zenuwen door zijn hele lichaam gierden, het zicht ontnomen. Het was het meisje, dat voor hem neerknielde en hem met een welwillende glimlach een brandende opiumpijp voorhield. Het was alsof de inspecteur de ogen van de Fransman dwars door het hoofd van het meisje op zich gericht wist. In trans, gedachteloos starend naar haar voorhoofd, nam hij de pijp van haar aan en bracht hem naar zijn mond. Hij liet zijn blik omlaag vallen en zag hoe het gouden stiksel van haar jurk oplichtte onder het steeds feller gloeiende uiteinde van zijn pijp. Van inspecteur de Fouw werd nooit meer iets vernomen.

Martin de Fouw was een Rotterdamse politie-inspecteur van 42 jaar. Hij had een lieve, zorgzame vrouw en twee vrolijke kinderen die goed hun best deden op school. De jongen voetbalde graag en het meisje had een prachtig handschrift. Zelf was hij een matig politieagent, die geluk had gehad dat zijn speurinstinct opgemerkt was van hogerhand. Hij hield niet van vechten, had in harde discussies met verdachten of arrestanten geen overwicht en was een zeer matig schutter. Ook kon hij niet zo goed tegen bloed, laat staan tegen de aanblik en geur van lijken. Dat hij toch inspecteur was geworden kwam in wezen door de luiigheid van zijn collegaís. De Fouw werd, op zomaar een zomerse dag door hen naar voren geschoven voor een klusje waar niemand zin in had: het observeren van Chinese stokers in de haven. Na een lange, hete en stinkende dag van schaduw naar schaduw bewegen kon De Fouw direct aan de commissaris rapporteren, want verder was iedereen al naar huis. Het zou een lange nacht worden. Op basis van De Fouws met veel oog voor detail verzamelde informatie liet de commissaris direct alsnog een arrestatieteam opdraven. Hij nam hoogstpersoonlijk de leiding en hield De Fouw daarbij constant aan zijn zijde. Een opiumhuis gesitueerd in een onopvallende woning werd overvallen en maar liefst tweeÎntwintig Chinezen draaiden zonder pardon het gevang in. Toen de hele operatie achter de rug was stuurde een zeer tevreden commissaris De Bree agent De Fouw naar huis met de mededeling dat hij die middag maar eens bij hem langs moest komen op kantoor. In dat gesprek werd hij uitgenodigd om deel uit te gaan maken van ëeen informele narcotica-eenheidí, zoals De Bree het noemde. De Fouw liet de kans niet aan zich voorbijgaan. De daaropvolgende maanden had zijn opbloeiende speurdersinstinct voor een aantal doorbraken gezorgd in vastgelopen zaken. Zelden miste hij een detail en hij was goed in het leggen van verbanden die niet direct voor de hand lagen. Commissaris De Bree had deze sterke kanten van De Fouw zeker weten te waarderen. Binnen een half jaar na die lange nacht in Katendrecht drukte de baas zijn promotie tot inspecteur erdoor.

Van commissaris De Bree werd gezegd dat hij een bijna schandalige hekel had aan Chinezen. Men fluisterde dat zijn niet aflatende inspanningen aangaande het bestrijden van misbruik van verdovende middelen, niets anders waren dan een voorwendsel om de Chinese stokers en hun families in de haven van Rotterdam dwars te zitten. Na een paar jaar nauw met de commissaris te hebben samengewerkt op allerlei narcotica dossiers kon Martin de Fouw zich niet aan de indruk onttrekken dat er wel iets waar zou kunnen zijn van die lasterpraatjes. Maar tegelijk vond hij dat je ook niet kon ontkennen dat de commissaris veel goed politiewerk verrichtte, dat qua narcotica zaken een veel groter bereik had dan de Chinezen in de haven. Desalniettemin was het niet altijd makkelijk geweest. De Fouw was goed bekend met het havenwerk omdat zijn vader er zijn leven lang arbeider was geweest. Hij wist hoe zwaar het werk was en hij wist ook dat de Chinezen opium gebruikten zoals hun Hollandse collegaís de ouwe klare. Juist omdat hij zich hier van bewust was, vond hij het soms moeilijk om uit te maken op grond waarvan de Chinezen zo hard aangepakt werden. Op zulke momenten dacht hij vaak terug aan de verhitte discussie die zijn vader en diens broer Dirk jaren terug hadden gevoerd over dit onderwerp. Een discussie die uiteindelijk was uitgelopen op een vechtpartij tussen de twee broers.

Dirk de Fouw was fuselier bij het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger. Hij was voor een verlof in Rotterdam geweest. Het was ergens eind 1907, misschien begin 1908. De aanleiding voor de ruzie was een nogal opruiend artikel in het Weekblad voor IndiÎ geweest, dat Dirk mee had genomen. Het stuk had nogal wat stof doen opwaaien. In het kort kwam het erop neer dat in de Oost een schertsvertoning van strijd tegen de opium werd opgevoerd. Dit om de tere geesten in het Moederland gerust te stellen wat betreft het zogenaamde 'spook van de opium'. Ondertussen verving de inlandse bevolking geleidelijk aan de opium door jenever en raakte daarmee pas serieus aan lager wal. Arbeiders konden beter aan de opium zitten dan aan de jenever, want dan had je tenminste nog iets aan ze, dat was de boodschap.(1) Dirk was het hier hartgrondig mee eens geweest. Hij had hele dorpen zien verpauperen na de intrede van slecht gestookte drank, die volgde op de verschillende opiumverordeningen. Maar De Fouws vader was een arbeider die zijn levenlang al op jenever teerde en er ook die avond stevig aan had gezeten. Hij nam het argument op zijn zachtst gezegd nogal persoonlijk op. De Fouw had geen partij gekozen, maar zich wel tussen de vechtende broers geworpen toen hun handgemeen uit de hand dreigde te lopen.

Wat hij zich van dat moment nog goed kon herinneren was dat hij zich niet de sterke jongeman had gevoeld die hij was, maar een bang kind. Het kind dat zich, naar aanleiding van zijn vaders verhalen over zijn uitheemse collegaís, vaak had afgevraagd of Chinese vaders ook hun vrouw en kinderen te lijf gingen, als ze aan de opium hadden gezeten. Het zou jaren duren voor hij een antwoord op die vraag vond. Inmiddels, na het opruimen van meer dan een dozijn opiumhuizen, kon hij met zekerheid zeggen dat dit niet het geval kon zijn geweest. Alles bij elkaar genomen voelde De Fouw daarom altijd een zekere verwarrende gÍne bij het oprollen van die huizen. Dit gevoel werd nog versterkt door het zichtbare genoegen dat het de commissaris bezorgde. Desalniettemin had zijn unheimliche gevoel hem er nooit van weerhouden de orders van de baas tot in de puntjes op te volgen. Met als gevolg dat hij er begin 1922 op uit werd gestuurd om drie mannen, die verdacht werden van internationale opiumsmokkel, te volgen op hun reis naar Hamburg.(2)

Vanaf het balkon van de laatste treinwagon zag De Fouw Rotterdam aan de horizon verdwijnen. Hij stond eraan te denken dat dit de eerste keer in zijn leven was, dat hij zijn geboortestad verliet. Die gedachte bracht hem bij zijn vrouw en kinderen, die hij ook nog nooit langer dan een dag achter zich had gelaten. Maar hij gunde zich weinig tijd om hier bij stil te staan. De baas was duidelijk geweest. Laat ze geen moment aan je aandacht ontsnappen. De Fouw draaide zich om en ging de trein in. Twee wagons verder wierp hij terloops een blik in de coupÈ naast de zijne. Opgelucht stelde hij vast dat zijn drie subjecten er nog zaten. Hij betrad zijn eigen coupÈ en knikte naar de jongedame met het hoedje die in de hoek zat. Hij legde zijn koffertje in het bagagerek en liet zich midden op de bank zakken. Daar kon hij naar buiten kijken en tegelijk ook het gangpad in de gaten kon houden. In het bagagerek boven de jongedame was een krant blijven liggen. Hij kwam half overeind om die te pakken. Daarbij ontmoette hij onverwacht haar geur en dat bracht hem direct zo van zijn stuk dat hij een moment lang als een marionet middenin de coupÈ bleef hangen. Met enige wilskracht vermande hij zich en plofte weer neer op bank. Hij keek snel van links naar rechts en naar de vrouw. Ze leek niets gemerkt te hebben. In lichte verwarring bladerde hij wat door de krant. Een klein bericht in het C katern trok daarbij zijn aandacht:

"In een logement in de Delistraat alhier is aangehouden de Chinees A.S., een zeeman uit Hongkong, die bezig was met het afwegen van bereide opium. Twee busjes en een potje daarmede gevuld, zijn in beslag genomen. Hij had de opium in Amsterdam gekocht."(3)

Het nieuwe jaar was dus nog niet begonnen of er werd alweer werk gemaakt van de Chinezen. De Fouw schudde onwillekeurig met zijn hoofd en zuchtte. Buiten weerklonk twee keer de fluit van de stoomlocomotief.

De reis ging van Rotterdam via Amersfoort, Bad Bentheim, Osnabr¸ck en Bremen. In Amersfoort nam een onbekende man plaats in de coupÈ van de drie subjecten. De Fouw kon niet uitmaken of dit een gepland rendez-vous of louter toeval was. Maar hij was geneigd om te denken dat toeval niet bestond en bleef daarom wat in het gangpad bij het raam hangen, in de hoop iets van het gesprek in de andere coupÈ op te kunnen vangen. Op het station van Bentheim kwamen de onbekende man en ÈÈn van de drie subjecten ook in het gangpad staan. Even wist De Fouw niet goed waar hij heen moest met zichzelf, maar hij werd gered door de jongedame met het hoedje. Zij vroeg hem vriendelijk of hij haar koffer even op het perron wilde zetten. Met de ogen van de twee mannen in zijn rug was De Fouw haar behulpzaam. Ze dankte hem met een vriendelijke glimlach en stapte toen uit de trein. In het gangpad stonden de twee mannen haar na te kijken en ze wisselden een grijns van verstandhouding met De Fouw, toen deze terug kwam lopen. De onbekende man vroeg zich hardop af of hij misschien beter hier uit kon stappen. De ander zei dat het in ieder geval een veelbelovend begin van de reis was. Ze lachten allebei en gingen terug de coupÈ in. Ze hadden Engels gesproken en De Fouw had uit de accenten en de aard van het gelach op kunnen maken dat de onbekende man Engels was en dat er geen vertrouwensband tussen de twee bestond.

Nu er oogcontact was geweest werd De Fouw zich er van bewust dat hij zich minder makkelijk onzichtbaar zou kunnen maken. Hij bleef de rest van de reis in zijn coupÈ in de hoop zoveel mogelijk vergeten te worden door de mannen. Tijdens de korte stop in Bremen kocht de Engelsman op het perron braadworsten voor het hele gezelschap. De Fouw zag dat zich wel een soort van band tussen de mannen manifesteerde en hij vroeg zich af of hij misschien te snel zijn conclusies had getrokken. Maar bij aankomst in Hamburg werd duidelijk definitief afscheid genomen. Zijn intuÔtie had hem niet bedrogen. Hij volgde de drie subjecten op gepaste afstand door het station. Hij zag hoe een tweetal agenten in uniform de aandacht van het gezelschap trok. Zij bleken de afleidingsmanoeuvre van de Duitse politie te vormen. Uit een drietal onopvallend geklede mannen voor een krantenkiosk maakte ÈÈn zich los om De Fouw naar de tijd te vragen. De andere twee gingen, eveneens op gepaste afstand, achter de drie subjecten aan, die het station door de oostelijk toegangspoort verlieten. De overdracht verliep vlekkeloos maar werd even later toch nog even gespannen. Iedereen moest terug in zijn rol schieten omdat de subjecten via de westelijke poort ineens weer binnenkwamen. De inspecteur met wie De Fouw aan het kennismaken was reageerde alert en vouwde direct een kaart van de stad open om daarop iets aan te wijzen. Ook de twee agenten in uniform zorgden dat ze niet nutteloos aanwezig leken. Ze vroegen een slecht geklede man streng naar zijn papieren en de redenen van zijn aanwezigheid op het station. Uit zijn ooghoeken zag De Fouw hoe zijn aflossingen vanuit de noordelijke poort de stationshal en de subjecten in het oog hielden.

Die avond werd De Fouw in zijn hotelkamer op de hoogte gebracht van de verdere bewegingen van de verdachten. De drie, een Fransman en twee Hollanders, waren officieel in Hamburg om een pianobouwer te bezoeken. De Fransman als koper en liefhebber, de Hollanders als de zakenlui die hem bijstonden in zijn zoektocht naar verschillende modellen en transportmogelijkheden. Ze waren diezelfde middag ook meteen naar de pianobouwer toe gegaan, nog voordat ze hun intrek in een hotel namen. De Fouw probeerde zich een voorstelling te maken van de hoeveelheid pakjes opium die in een vleugel verstopt zou kunnen worden; een vleugel, zoín prachtig, tot de verbeelding sprekend instrument der welgestelden, dat bij transport met de grootste zorg behandeld. De Duitse agenten hadden degelijk werk verricht. Bij het diner hadden ze zonder op te vallen aan het tafeltje naast de verdachten gezeten en waren veel over hun plannen te weten gekomen. Besloten werd dat De Fouw de komende dagen samen met een andere agent de twee Hollanders zou schaduwen. Die hadden andere adressen op hun programma staan dan de Fransman. Dat was degene met wie De Fouw in de trein oogcontact had gehad en die daarom door twee Duitse agenten gevolgd zou worden. Eigenlijk was het enige probleem dat zou kunnen ontstaan de mogelijkheid dat de Hollanders zich onverwacht zouden opsplitsen. Besloten werd dat De Fouw op dat moment zijn landgenoot aan zou spreken en zich voor zou doen als een verloren geraakte reiziger. Hij zou ervoor zorgen dat de man simpelweg niet aan zijn dagprogramma toe zou komen. Dat de Duitsers zonder enig voorbehoud aannamen dat hij tot zoín improvisatie in staat was, maakte dat hij een kleine borrel nodig had om in slaap te kunnen vallen die nacht.

beeld bij verhaal
De volgende dag verliep een tijd lang alles volgens plan. De Hollanders bezochten verschillende adressen waaronder een houthandelaar en een transportbedrijf. Ze gingen zelfs bij een douanekantoor langs om te informeren naar de regels en benodigde vergunningen voor internationaal pianovervoer. Alles leek erop te wijzen dat de heren zich met niets anders bezig hielden dan de pianohandel. Alles, behalve het feit dat ze gedurende de dag tot twee keer toe omtrekkende bewegingen maakten om na te gaan of ze niet gevolgd werden. Evenals de dag ervoor op het station moesten De Fouw en zijn collega beide keren snel handelen om niet in de gaten te lopen. Bij de tweede keer had de hele operatie aan een zijden draad gehangen. De Fouw en collega vluchtten een boekwinkel in zodra ze in de gaten kregen dat hun subjecten zich in hun richting keerden. Maar de mannen waren ook die winkel binnengelopen. De Fouw had een groot dun boekwerk gepakt en zich zo dichtmogelijk tegen het papier aan gedrukt, slechtziendheid veinzend. De mannen waren vlak achter hem langs gelopen. De winkel was zo krap dat hij van ÈÈn van hen zelfs een lichte por in zijn rug kreeg, waarvoor een verontschuldiging werd uitgesproken. Met zijn hart in zijn keel had De Fouw zonder zich om te draaien een onbestemde maar goedkeurende brom uitgebracht. Geluidloos haalde hij diep adem terwijl de mannen doorliepen. Terwijl De Fouw zich bewust werd van de notenbalken voor zijn ogen, vroegen de mannen bij de kassa naar bladmuziek van Mozart en Debussy. De mannen kregen enige partituren aangereikt en bekeken die aandachtig, wat de inspecteurs de kans gaf onopvallend het pand te verlaten.

Het was pas na het eten dat toch gebeurde wat het groepje inspecteurs de avond tevoren had gevreesd. De twee Hollanders gingen ieder huns weegs. De Fouw en zijn collega moesten zich opsplitsen. Nog een geluk dat het al donker was, bedacht De Fouw zich, want dat maakte het verloren zijn aannemelijker en bovendien zou hij zijn gezicht wat meer kunnen verbergen. Hij liep nog enige straten achter zijn subject aan, terwijl hij moed en materiaal verzamelde voor de rol die hij direct moest gaan spelen. Op het punt om meer vaart in zijn pas te brengen en het spel te laten beginnen schrok hij ineens terug en drukte zich buiten bereik van de lantaarns tegen een muur. Op de hoek van de straat was de Fransman verschenen. Het scheelde niet veel of hun blikken hadden elkaar weer gekruist. Vanuit de donkere schaduw zag De Fouw hoe de Fransman snel en naar het scheen driftig met de Hollander sprak. Hij gebaarde wat heen en weer en daarop zetten de twee mannen koers in zijn richting. Ze keken schichtig om zich heen. De twee inspecteurs die de Fransman zouden schaduwen lieten zich niet zien. Koortsachtig dacht De Fouw na over zijn opties, maar met ieder stap die de mannen zetten raakten die sneller uitgeput. Plots ging twee meter verderop een deur open en werden twee mannen naar buiten gelaten. Zonder zich een seconde te bedenken stapte De Fouw naar de deuropening en maakte duidelijk dat hij naar binnen wilde. Een man met Oosterse trekken gebaarde dat hij binnen kon komen.

De Fouw volgde de lange vlecht van de man door twee dikke gordijnen en liep zo een heerlijk ruikend en sfeervol verlicht Chinees restaurant binnen. Onwillekeurig viel er een glimlach over zijn gezicht bij de aanblik van de etende mensen. Niet wetende wat anders te doen liet hij zich door de man overdragen aan een serveerster die hem naar een tafeltje achterin de zaak bracht, naast het gordijn dat de keuken van de eetzaal scheidde. De Fouw trok zijn jas uit, draaide zich om en stond op het punt de jas aan de serveerster te overhandigen toen de Fransman en de Hollander door het gordijn bij de ingang kwamen. Hij verstijfde en trok met een schok de jas naar zich toe. Weer wist hij niet wat hij nu moest doen. De mannen waren in gesprek met de man met de vlecht. Ze hadden hem, dacht hij, nog niet gezien. Door zijn verstarring heen merkte hij op dat er nog iets was. Het meisje, ze sprak tegen hem. Ze vroeg hem iets en gebaarde naar het gordijn naast hen. De Fouw knikte snel en stapte voor haar uit door het gordijn. Tot zijn verbazing kwam hij niet in de keuken uit, maar in een lange gang. Het meisje pakte alsnog zijn jas aan en ging hem voor naar weer een ander gordijn, verderop in de gang. Nog voordat ze daar doorheen gingen had De Fouw het al geroken. Hij keek om zich heen, maar zag geen andere uitweg. Terwijl hij door het gordijn stapte prees hij zich gelukkig dat hij zoveel ervaring had met opiumhuizen. Hier zou hij in ieder geval makkelijk kunnen verdwijnen.

***


1) Eén van de meer opruiende zinnen uit het artikel luidde: 'Welk genotmiddel het meeste kwaad wrocht, is niet twijfelachtig: het jenevergebruik is veel verderfelijker dan de opiumconsumptie.' Een andere: "De openbare meening aangaande de gevolgen van ít opiumverbruik is meer vergiftigd dan het lichaam van een amfioenschuiver ooit vergiftigd kan worden."
- Weekblad voor IndiÎ, Vierde jaargang No. 28, Soerabaja, 3 november 1907.

2) De beschrijving van deze gebeurtenissen is voornamelijk gebaseerd op het voortreffelijke werk van G.W. Valken, destijds inspecteur bij de Politie Rotterdam, die een rapport over de gebeurtenissen samenstelde voor de Nederlandsche Centrale ter Bestrijding van den Smokkelhandel in Verdoovende Middelen (G.2/17/1934), dat hij mij na de verjaring van de zaak ter beschikking stelde.

3) Nieuwe Rotterdamsche Courant, 2 januari 1922, Avondblad C, pagina 3

***

© P. Vermeij, 2011

close close close