VERHAAL BEELD ANEKDOTE SCHRIFT ILLUSTRATIE GELIJKHEID KUS BEELDKUNST ONTMOETING ONRUST NIEUWSGIERIG SCHRIJVEN BETEKENIS KADER STRIJD ONWEER TOEKOMST LIJN DETAIL INKT LICHTEND DEVOTIE DE VERDACHTE LANDSCHAP KRAAKHELDER COLLECTIEF VERANDERING 3x 50 WOORDEN VOORLIEGEN DOELMATIG KWAAD VRIENDSCHAP PETER-JAN VERMEIJ KAMERAADSCHAP VERLEIDING ONSCHULD ONDERWERP GRAUW FATSOEN GELUK KARAKTER HET TIJDELIJK OPHEFFEN VAN ONGELOOF GAAF INZICHT VREEMDGAAN GEMIXED GROOTHEIDSWAANZIN VROUW CONTRAST UITPUTTING VERBINTENIS VELDWEG GRAUW PANORAMA STERRENWACHT MENS DESTRUCTIE CONTRAST KARAKTER OOG BEEST GRIJSGEDRAAID DIEVEN OOG BEEST GRIJSGEDRAAID KEUKENTAFEL ROUTINE KAAK VRAAG SEKSUALITEIT UIT HET LEVEN GEGREPEN COMPUTER STOFWEG BRABANDER LEEFTIJDSGRENS GRONDWATER PORTRET LIEFHEBBERIJ PLAAT SLINGER HELING WENKBRAUW BLAUWBOEK KLAPPERTANDEN VLIEGTUIG ONTZETTING FOTO WEDSTRIJD VERTAAL COMMENTAAR NAAR DE SITE VAN 6575 TEKSTBUREAU SCHETS VISIE PERSOONLIJK AFWEZIGHEID GEVOEL KRITIEK ONDERZOEK SCHRIJVER MENS PORTRET ONDERSCHRIFT TOEVOEGING FILOSOFIE KERN FOTOGRAAF METAFOOR KORTE VERHALEN A VIDA VITA BEELD CULTUUR INZICHT VERVANGING INHOUDSOPGAVE STROOPWAFELS VREEMDGAAN DETAIL GROSSERIE AANHANGSEL GEBABBEL MEESTERZET VORMBEHOUD EXTREEM FIJNZINNIG POIINK ADEM WAFFEL HAARIMPLANTAAT VOGELVRIJ GAARNE ROUTINE DESTRUCTIE UITPUTTING VERBINTENIS VELDWEG OOG KARAKTER GESTRAND KEUKENTAFEL ROUTINE BOS VOLK GOEDGELOVIG LACH KRACHT VERLOOCHEN TIJD VOORWERP PAARDENVLEES KATHOLIEKE MEISJES WAARACHTIG GAAF TERUGVERDIENEN KRANIG ONTZET PROPJE VRAAGBAAK ILLUSTATIEF FATA MORGANA KLAARGESTOOMD GEZONDHEID VERBOLGEN DRIL LEGGING GEVRIJWAARD VRIENDSCHAPPELIJK JURIDISCH FLIKFLAK PINGPONG IK BEN OPA TELEVISIE SERIE MOORD DOODSLAG DOORDACHT DUMBSTRUCK GESIGNALEERD CHOCOLADE NOOTJES CD PLATENCONTRACT GEDACHTENGOED OPTIMISME POLITIEK ANDERSDENKEND LEVENSBOOM TAFELPOOT THEATERDOEK TRIBUNE GEREDIGEERD PRAATZIEK GEBABBEL CONTROLE ASSISTENT MAATSCHAPPIJLEER ONDANKBAARHEID PRUT DROOM COLLECTIEF MELKWEG BEELDSCHERM FETISCH BRILLEMANS ENGEL OOGKLEPPEN DRAF VIEZERIK BLIJHEID ORGAANDONOR DEURPOST BOEKENLEGGER STRATENPLAN WITTE BOORDEN CRIMINALITEIT FLATSCREEN SPELGENOT KLEINZERIG ANTIEKSHOP DOODGEBOREN KANT-EN-KLAAR AFREKENING ZESTIG VREEMDELING GORDIJN MOZARELLA OOGOPSLAG SNEEUW KORTWIEKEN VALS RONDRIJDEN RIOLERING VASTBERADENHEID GENEREREN TANDSTEEN KLOOTHOMMEL MOFFEN REFLECTIE BORSTEN SPIEGEL LEESLUST BOEKENWEEK HANDGEMEEN IEDEREEN ONGELOOF KRANKZINNIG MIJTER WERELDNIEUWS PRUIK AANSTELLER DROOM VRESELIJK SCHUCHTER EN / OF UFO YPSILON MAAKBAARHEID NIETTEGENSTAAND BRANDBAAR VROOM CHRYSANT XYLOFOON ZEESTER LANGZAAM KROM JA! HOOFDPIJN GEGRAVEN FIJNBESNAARD DREK STAF AANHANGSEL PRIKKLOK OORVERDOVEND INTIEM UITZINNIG TREFFEND CONTRAST CONSTRUCT RADIOGOLF DAADKRACHT EETBAAR WENS VRIJGEVIG DENK!
dragdrop
close close close

Gestrand

De chauffeur werpt in zijn spiegel een blik op de vrouw die zo geanimeerd tegen hem praat. Hij vraagt zich af of er seks in zal zitten aan het einde van de rit. Dan zal ze zich bij de volgende stop wel een beetje in moeten houden, want daar wacht Maria op hem. Achter de chauffeur vraagt een zwetende toerist zich af of de vrouw tot het eindpunt zal gaan. Hij denkt dat de chauffeur dan seks met haar zal hebben. Ook al spreekt hij geen woord Spaans, hij ziet aan alles dat ze met hem zit te flirten. Hij benijdt de chauffeur. De twee meisjes achter de toerist gniffelen afkeurend. Het is vast een hoer. Zou die dikke gringo daar zo van zitten te zweten? Misschien denkt hij dat ze om hem lachen. De schooluniformen van de meisjes herinneren de vrouw op het tegenover gelegen bankje aan het geld dat ze binnenkort nodig zal hebben voor het uniform van haar dochtertje. Met God's hulp, denkt de vrouw, met God's hulp krijg ik het wel bij elkaar. De bus mindert vaart. Een man springt op de treeplank en werkt zich naar binnen langs de half openstaande deur. Hij praat kort met de chauffeur. Dan grijpt hij met één hand het bagagerek, klopt op zijn schoudertas en richt zich tot de passagiers: "Goedemiddag dames en heren, jongens en meisjes, vergeef mij dat ik jullie rust tijdens deze reis verstoor. Ik vraag maar een paar minuutjes van jullie tijd , ten goede van ons allen. Een paar minuutjes voor de Heer kan niet teveel gevraagd zijn toch?! Daarna kunt u deze reis in alle rust vervolgen."

beeld bij verhaal
De zorgelijke vrouw richt zich aandachtig op. Een student achter haar vindt het naïef dat zij deze praatjesmaker haar aandacht gunt. Nors keert hij zich naar zijn vriendin en gebiedt haar het raam dicht te doen. De wind is te stoffig. Verschrikt kijkt ze op van haar tijdschrift en doet wat hij zegt. Ach meisje, als je de kans nog hebt, zorg dan dat je wegkomt van die rotzak, hij is het niet waard. De oude man die het stelletje hoofdschuddend bekijkt heeft ook meelij met het meisje met de baby aan de andere kant van het gangpad. Ze zit ongemakkelijk ingeklemd tussen de armleuning, haar baby en een nogal dikke man die met zijn hoofd tegen het raam ligt te snurken. Zij vraagt zich af of Pablito haar ongemak voelt, want het lijkt wel of hij zich vastbijt in haar tepel. En hij heeft nog helemaal geen tandjes. Ondanks de pijn moet ze glimlachen wanneer ze gelijkenis hoort tussen het smakken van Pablito en dat van de dromende man naast zich.

In het hoofd van die dromer bevindt zich een zoutvlakte. Het is er warm. Het is er droog. Hij heeft een veel te heet zwart pak aan. In de verte zijn verkoelende bassins waar het zout gewonnen wordt. Maar hij wil er niet heen. Hij zoekt een gezicht. In de zoutkristallen op de grond laat de zon gezichten verschijnen, zoals wolken de vormen van dingen aan kunnen nemen. Hij herkent een aantal gezichten. Maar het gezicht dat hij zoekt verschijnt niet. Misschien omdat hij vergeten is welk gezicht hij ook alweer zocht. Verbeten dwaalt hij over de vlakte. Een gier pikt in zijn enkel. Hij schreeuwt en kijkt om. De gier is er. Ook komen er in de verte twee witte beren aangerend. Het zout kraakt onder hun zware poten. Hij wordt bang. Hij zet het op een lopen. Daarbij passeert hij ineens twee skeletten die in missionarishouding op elkaar liggen. Het gekletter van de botten trekt de aandacht van de gier. De dromer blijft rennen. Hij wil niet omkijken. Hij hoort gekrijs. Hij schrikt wakker.

Mensen lachen. De vertegenwoordiger van de hemel heeft een dreinende huil bij Pablito opgewekt. Zijn moeder geeft de man het te koop aangeboden boekje terug en hoopt dat hij door zal lopen. Maar hij blijft juist staan en probeert het kind met zalvend gekoer stil te krijgen. Pablito begint nog harder te huilen. De man schrikt van de blik in de ogen van de ontwaakte dromer. Hij vervolgt schielijk zijn weg naar voren. Verdwaasd kijkt Placido hem na. Dan valt zijn blik op zijn buurvrouw. Automatisch schikt hij een beetje in en glimlacht naar moeder en kind. Pablito wordt stil en staart naar hem. Placido kijkt terug, spant de stijve spieren in zijn lichaam aan en laat ze weer los. Ondertussen raapt hij zijn gedachten bij elkaar.

De bus vervolgt traag zijn weg door het dorre, droge landschap. De hitte is voelbaar in de lucht die door de opengeschoven ramen komt. Placido houdt van dit landschap. Hij is zijn leven lang al verliefd op het verborgen leven dat deze aarde herbergt onder haar stof. Zoveel mensen heeft hij ontmoet die de hitte vervloekten. Ze scholden op de droogte alsof die hen zou verstaan. Maar nooit bleven ze lang genoeg om het wonder van deze aarde te aanschouwen. Denkend aan hun gemiste kansen wordt hij weemoedig. Hij zou tranen kunnen laten om de haast die ze hadden om weg te komen. Aan de andere kant had hij niet graag gezien dat ze allemaal gebleven zouden zijn. De rotsen en cactussen en de keiharde grond verbergen een kwetsbaarheid die geen grote hoeveelheden mensen kan verdragen. Moeder natuur zorgt voor zichzelf. Placido glimlacht voor zich uit bij de gedachte. Pacha Mama. Hij vergeleek zijn vrouw nog wel eens met haar. 'Geschapen in haar evenbeeld' zei hij dan, en iedereen die het nodig vond daarom te lachen kreeg met zijn knokkels te maken. Doña Sofia, zijn vrouw. Hij ziet haar voor zich, bij de bushalte, met opeengeklemde lippen en haar armen stijf over elkaar. Vijf dagen staat ze er al. Vijf dagen is hij langer weggebleven dan hij had beloofd. Wat zij vreesde is gebeurd. En daarmee zal wat hij vreest al zijn begonnen voor ze een woord gewisseld hebben. Hij is een nieuwe man. En deze man zal geen indruk meer op haar maken. Zij zal bij hem blijven tot zijn dood, of de hare. Maar hij zal haar liefde verliezen. Hij weet het zeker. Het is al begonnen, en het is zijn eigen schuld.

Placido is onderweg van de stad naar zijn dorp. Hij was in de stad omdat hij daar zijn pensioen en gouden horloge op kon halen. Vijfenveertig jaar lang werkte hij in de haven waar de zoutschepen hun ladingen kwamen halen. De laatste twintig was hij havenmeester. Hij kende ieder schip, iedere kapitein. Hij was de hele dag in de weer. De behoefte van de wereld aan zout slaapt nooit, zei hij wel eens. Thuis was hij de trotse vader van twee dochters en een zoon. Al bemoeide hij zich weinig met hun opvoeding. Hij zorgde voor inkomen, SofÌa voor de kinderen. Inmiddels woonden die alledrie in de hoofdstad. Meer dan nostalgisch konden ze niet zijn over hun geboortegrond. De liefde die hun ouders ervoor voelden vond in hen geen voedingsbodem. Hun moeder was daarentegen net als hij. Al zouden ze haar martelen, ze zou haar grond niet achter zich laten. Mi tierra o muerte scandeerden ze in hun jonge jaren op de dorpsfeesten. Al dansend tilde hij haar dan tot boven zijn hoofd terwijl zijn vrienden hun pistolen leeg schoten in de lucht.

Placido maakte Sofia jarenlang het hof. Het duurde zo lang voor hij haar ten huwelijk vroeg dat al getrouwde vriendinnen en oude vrijsters in het dorp waren begonnen haar te waarschuwen. ¥Hij houdt haar aan het lijntje¥ werd er geroddeld. Maar Placido zat wat anders in elkaar dan de meeste van zijn vrienden. Pas toen hij geen havenarbeider meer was en een degelijk inkomen had durfde hij Sofia om haar hand te vragen. Dat haar liefde, haar vertrouwen en haar geduld zo werden beloond deed haar bijna flauwvallen van geluk, en opluchting. Op hun huwelijksfeest, waarvoor ze simpelweg het hele dorp uitnodigden, waren zelfs de grootste zwartkijkers vrolijk. Van hun huwelijksreis naar San Diego keerden ze vroegtijdig terug. De zachte schoonheid van CaliforniÎ was niet aan het kersverse echtpaar besteed.

Maar nu, nu hoeft hij nergens meer heen. Hij kan nergens meer heen. Als hij hele dagen in de kroeg gaat zitten laat ze hem niet meer binnen en verandert ze de sloten op de deur. Maar als hij de hele dag thuis zou blijft, dan komt ze erachter wat hij nu eigenlijk waard is. Een dik vat vol mooie praatjes van anderen, van de zeelui die hij zijn leven lang sprak, over hun avonturen in bargevechten en hoerenkasten, maar ook over hun landen, hun culturen, hun gewoontes, hun eten, hun vrouwen. Zonder hen heeft hij niets te vertellen. En iets te doen heeft hij al helemaal niet meer. Met zijn dikke pens op de patio liggen snurken, dat kan hij. Sofia zal zijn leegte gaan zien en hem erom gaan verachten. Daar is Placido banger voor dan voor de dood. Daarom durfde hij niet naar huis na de onpersoonlijke handelingen die bij zijn pensioen hoorden. Daarom lag hij de afgelopen vijf dagen met zijn stomdronken hoofd op een tafeltje in zijn pension. En het ergste: hij weet dat hij daarmee zelf het begin van het einde heeft veroorzaakt. Sofia had hem op het hart gedrukt direct terug te komen. Net als alle andere keren dat ze hem uit de cantina had moeten sleuren zou ze ook nu geen goed woord voor hem over hebben. Alleen is er geen uitweg meer. Geen plicht die roept en een verzachtende afwezigheid veroorzaakt die uiteindelijk het ijs weer zal breken. Geen nieuwe verhalen die zoveel spannender zijn dan hun eigen routines. Het kan niet anders dan dat de verachting alleen maar toe zal nemen. Hij is er zo zeker van dat zijn ogen beginnen te prikken.

'Señor?' klinkt het naast hem. Hij kijkt opzij en ziet het bezorgde gezicht van zijn buurvrouw. 'Het is het stof liefje,' zegt hij en schuift ondanks de hitte het raam dicht. Hij wrijft zijn ogen uit en snuit zijn neus. Precies op dat moment klinkt er een harde knal. De bus begint te zwabberen. Mensen gillen. Placido slaat direct zijn armen om moeder en kind en drukt ze onder zijn grote lichaam naar beneden. De bus komt zonder ongelukken tot stilstand naast de weg. Zonder een woord tegen zijn passagiers duikt de chauffeur de bus uit. Hij loopt om de bus heen en begint ergens achteraan hartgrondig te vloeken. Daarna brult hij tegen de open raampjes: 'Allemaal eruit! Klapband! Allemaal de bus uit.' De passagiers beginnen direct te zuchtten en klagen. De toerist kijkt verward om zich heen. Er is niemand die het hem uit kon leggen, maar hij ziet uit zichzelf wel in dat er weinig anders op zit dan net als iedereen de bus uit te gaan.

Placido wacht tot de meeste mensen buiten zijn. Terwijl hij zich uit het bankje werkt en door het gangpad naar voren sjokt bedenkt hij zich dat even de benen strekken helemaal niet zo vervelend hoeft te zijn.

Ze zijn gestrand op een heuveltje. Het geeft een weids uitzicht op de woestenij om hen heen. Kale droge grond, enorme rondslingerende rotsblokken, in de verte een dof cactusbos midden in een grijze zandvlakte en aan de horizon de bergen. Op sommige cactussen wachten gieren hun tijd af. Je zou via een zandpad naar het bos kunnen lopen, maar de passagiers geven er de voorkeur aan bij de bus te blijven en zich te beklagen over het gebrek aan schaduw of het lompe rijgedrag van de buschauffeur. De mensen uit het gebied zelf zeggen niets en strekken hun stramme ledematen. Placido is de enige uit zijn dorp. Hij houdt zich wat afzijdig en kijkt naar het landschap. Hij buigt zich voorover en probeert zijn tenen te raken. Het lukt niet. Hij begint er van te zweten. Wanneer hij weer omhoog komt merkt hij het ineens op. De wind in de bus was geen wind. Het rijden had de luchtstroom veroorzaakt. Er staat helemaal geen wind, geen zuchtje. Placido wist het zweet van zijn voorhoofd met een zakdoek en tuurt naar de bergen. Bijna onmerkbaar kleurt de stralend blauwe lucht boven hun hoofden in de verte, voorbij het cactusbos, donkerder.

'Señor?' klinkt het weer. Het is het meisje met de baby. Ze wil hem even bedanken. 'Het was er lief en moedig van u dat u ons zo beschermde in de bus. Ik ben blij dat ik naast u zat.' Het is een lief kind met een lief kind. Ze doet hem een beetje denken aan zijn eigen dochters. Kathy was ook al jong zwanger. En allebei zouden ze er ook geen seconde over nadenken om zomaar op een vreemde man af te stappen en te zeggen wat ze te zeggen hadden. Hij glimlacht en zegt: Ik hoop dat het de rest van de reis niet meer nodig is.' Daarna knikt hij naar de baby in haar armen: 'Heb je daar een zoon of een dochter?' 'Een zoon, hij heet Pablo.'
Placido geeft de baby een vinger die gretig omklemd wordt.
'Dag Pablo, ik ben Don Placido. Het is me een genoegen kennis met je te maken.'
Nu glimlacht het meisje.
'Het genoegen is geheel aan onze kant. Ik heet Lucia. We komen uit Monterrey en zijn op weg naar een zus van mijn moeder. Zij heeft een huisje voor ons en ik kan voor haar werken.'
'Monterrey' herhaalt Placido bedachtzaam, 'dat is ver. Dan heb je vast niks bij je tegen regen.'
Lucia begint hardop te lachen.
'Regen? Neemt u ons in de maling meneer Placido? Mijn tante doet niets anders dan klagen over de droogte en de de hitte sinds ze hier is komen wonen. Regen?!'
'Mensen hebben de neiging niet te kijken als ze van tevoren bedacht hebben wat ze gaan zien.'
'Pardon? Wat zei u?'
'Niets, niets,' mompelt Placido en voegt daaraan toe: 'Doe me een plezier en wacht hier even op me, wil je. Kijk ondertussen maar naar de bergen. Ze zijn erg indrukwekkend, zelfs vanaf hier.'

In de bus trekt hij zijn paraplu tussen de hengsels van zijn tas vandaan. Terwijl hij terugloopt vraagt hij zich af hoe oud ze is. Zestien? Misschien zeventien. En dan in deze van God en alles verlaten streek moeten komen sloven voor een tante terwijl je nog een kind zoogt. Maar van het arme kind dat hij ziet blijkt niet veel wanneer ze met een knikje in de richtig van de paraplu tegen hem zegt: 'Zo en wat gaat u daarmee opvangen? Uw eigen tranen misschien?' Zie, precies zijn dochters. De brutaliteit.
In plaats van in te gaan op haar opmerkzaamheid vraagt hij: 'En, heb je nog naar de bergen gekeken?'
Ze schudt haar hoofd en kijkt nu wel in de richting van de bergen.
'Zie je die donker blauwe lucht? Die was net nog tussen de bergen en de cactussen. Nu is het boven dat bos ook al donker, en daarachter wordt het zwart.'
LucÌa kijkt hem verwonderd aan.
'Je bent hier niet eerder geweest hé?!' Placido wacht haar antwoord niet af.
'Nee dat dacht ik al. Dan ben je een gezegend meisje. Nog voordat je je bestemming bereikt heb ga je het allermooiste meemaken wat je ooit hebt gezien.'
Nu kijkt ze hem meewarig aan
'Nou ja, behalve Pablito dan misschien,' voegt hij er snel aan toe.
'Gezegend?!' herhaalt ze met overslaande stem.
'Ik moet weg van mijn moeder, weg van mijn vader, weg van mijn broertjes en zusjes, omdat die pendejo Miguel niet voor mij en Pablito kan zorgen en geen enkele fabriek een moeder van mijn leeftijd wil aannemen en omdat ik moeder ben kan ik ook niet meer naar school en nu moet ik hier in deze hel gaan werken en u noemt mij gezegend omdat u denkt dat ik een beetje regen ga zien?'
Ze heeft tranen in haar ogen. Pablito begint te huilen. LucÌa bijt op haar lip en kijkt Placido uitdagend aan terwijl ze een vinger in het mondje van de baby stopt.
'Ach liefje,' begint hij, 'ik ben geboren in deze hel. Het is hier heus niet zo verschrikkelijk als jij denkt. En er is geen enkele manier waarop een meisje als jij dat niet gaat inzien. Ook al ziet alles er hier stoffig uit, alles wat voor jou ligt is groen en zal dagelijks van kleur verschieten. Het leven is nu eenmaal niet makkelijk. Maar je hebt je Pablito bij je. Hij zal het vuur in je ogen en je hart aanhouden. Wie vuur in zijn hart heeft, die redt het hier wel.'
Het meisje echoot zijn woorden direct terug: 'Oh ja? Waar is uw vuur dan, met al dat stof in uw ogen en uw nare dromen?'
Placido kijkt even stil over haar heen naar de nu snel naderende wolken. Dan zegt hij, hardvochtiger dan hij had gedacht te klinken: 'Mijn vuur is uit. Ik heb het gedoofd met bier. Jij leeft ver weg van Miguel, ik leef dagelijks met de moeder van mijn kinderen. Maar ik ben een nutteloze man geworden. Ze veracht me nu al meer dan ze ooit heeft gedaan toen ik nog werkte. Jij, mijn kleine Lucia, jij steekt net boven de grond. Jij gaat groeien en bloeien, zelfs in deze kale grond. Ik, ik zal niet meer bloeien. Ik ben al dood. Ik wacht tot iemand me komt omhakken.'
Het meisje is in het geheel niet onder de indruk van zijn woorden.
'Wat een onzin. Aan uw gesnurk te horen leeft u nog wel. En waarom zou uw vrouw u verachten? Ze zou wel gek zijn. Waarom zou ze ineens niet meer van u houden? Omdat u niet meer werkt? Hield ze dan alleen maar van u omdat u werkte? Hield ze alleen maar van u als u er niet was?'
Placido kijkt het meisje in haar ogen. Het valt hem op dat je haar pupillen nauwelijks van haar donkere irissen kan onderscheiden. Hij doet zijn mond open om iets te zeggen, maar dan valt er een druppel op het voorhoofd van Pablito. 'Heee,' brengt LucÌa verbaasd uit en kijkt van het voorhoofd van haar kind naar de lucht. Uit de groep bij de bus klinkt het ook dat nog en mogen we de bus in? Placido klapt zijn paraplu open en gaat snel naast LucÌa staan, zodat ze er alledrie onder konden schuilen.
'Kijk,' zegt hij met ingehouden adem, 'het begint.'

De regen komt ineens neer, in loodrechte stralen. De druppels doen het stof nat opspatten van de grond. En alles, alles wat er te zien is in het landschap verschiet binnen een minuut van kleur. Doffe cactussen worden diep donkergroen; dorre struiken hebben ineens bruine takjes die zich naar de regen uit strekken. Grijze stenen en rotsblokken glimmen hun marmer patronen tevoorschijn. Zelfs de gieren lijken zwarter te worden. En de grond, de vieze stoffige beige grond, die kleurt rood van opwinding. Hoe doorweekter de aarde raakt hoe dieper haar roodbruine tint. Vanonder het wegspattende stof roeren zich de door de wind aangevoerde zaadjes. Naarmate de regenbui langer duurt steken steeds meer kleine bloemen hun kopjes op naar de hemel. Terwijl de regen onverminderd hard neerkomt richtten zich meer en meer bloemen op. Ook woestijnrozen kruipen uit hun schulp en de doodgewaande cactusvruchten knallen van roze naar rood bijna uit hun voegen. De totale metamorfose duurt ongeveer een half uur. Dan stopt de regen en wordt het stil. Onder de paraplu bedenkt LucÌa zich verbaasd dat dit inderdaad het mooiste is dat ze ooit gezien heeft. En Placido? Placido vergeet wat hij ook alweer wilde zeggen en ademt eens diep de geur van de tot leven gekomen aarde in.

***

© P. Vermeij, 2011
Gepubliceerd in [Werk] nummer 1, mei 2011; het literaire E-tijdschrift geproduceerd door www.literairwerk.nl en daar ook verkrijgbaar.

close close close